Plus-tickets spelling

Hoe kun je differentieren tijdens je spellingles?

In de klas proberen we steeds beter aan te sluiten bij wat leerlingen nodig hebben. Ook tijdens de spellinglessen met STAAL 2 zochten we naar een manier om gericht te differentiëren. Niet alleen voor de leerlingen die altijd snel klaar zijn, maar voor iedereen die een bepaalde spellingcategorie al goed beheerst.

Daaruit zijn de Plus-tickets ontstaan.

Wat zijn plus-tickets?

De Plus-tickets zijn verrijkingsopdrachten die aansluiten bij de spellingmethode STAAL 2. Bij Plus-tickets worden leerlingen niet ingedeeld op basis van hun algemene niveau, maar per spellingcategorie. Dat betekent dat een leerling die één categorie goed beheerst, ook de kans krijgt om met een verrijkingsopdracht te werken. Een set plus-tickets bevat 4 opdrachten, met één opdracht per week. In elke opdracht staat dezelfde spellingcategorie centraal die die week ook klassikaal wordt behandeld.

Hoe werkt het?

Aan het begin van de week nemen we het check-ticket van les 1 af. In dit korte moment wordt precies de spellingcategorie getest die die week centraal staat. Wanneer een leerling hier blauw op scoort, betekent dit dat hij of zij de categorie al goed beheerst. Die leerling krijgt diezelfde dag nog een korte uitleg over de plusopdracht. De leerling maakt eerst in het werkboek de 3-steropdrachten, zodat de basis nog wel geoefend wordt. Daarna werkt hij of zij de rest van de week aan de plusopdracht.

Wat voor plusopdracht?

Voor een verhaal verwerken leerlingen bijvoorbeeld minimaal zes woorden uit de spellingcategorie in hun tekst. Een andere optie is het maken van een strip. Hierbij zetten leerlingen hun spellingwoorden om in een creatieve vorm met tekeningen en tekstballonnen. De woorden moeten correct toegepast worden en passen in het verhaal dat de strip vertelt. Ook een kruiswoordpuzzel kan onderdeel van de plusopdracht zijn. Leerlingen bedenken omschrijvingen bij de woorden uit de spellingcategorie en formuleren deze in volledige zinnen. 

Criteria

Elke plusopdracht bevat een duidelijke criteria-lijst. Dit helpt leerlingen om gericht te werken en na te denken over hun eigen product. Zo staat er bijvoorbeeld hoeveel zinnen een verhaal minimaal moet bevatten, dat er aandacht moet zijn voor interpunctie en grammatica, en hoeveel woorden van de spellingcategorie verwerkt moeten worden in de opdracht. Door deze criteria wordt het geen vrije schrijfopdracht, maar een opdracht waarbij leerlingen bewust met spelling blijven oefenen.

Hoe ronden leerlingen hun werk af?

Wanneer een leerling klaar is met de opdracht, begint het laatste onderdeel van het proces. Eerst kijken de leerlingen zelf hun werk na aan de hand van de criteria. Daarna laten ze hun opdracht controleren door een maatje. Pas wanneer alles is nagekeken, wordt het werk ingeleverd bij de leerkracht. Op deze manier leren leerlingen niet alleen over spelling, maar ook over reflecteren op hun eigen werk, plannen en afstemming en het werk van een ander analyseren.