Check-tickets
Check-tickets zijn een praktisch formatief instrument waarmee je als leerkracht tijdens de instructie gericht kunt differentiëren. Door vooraf een check-ticket af te nemen, krijg je direct zicht op hoe goed leerlingen het lesdoel (of subdoel) beheersen. Zo weet je al vóór de instructie wie baat heeft bij pré-teaching, wie volledige instructie nodig heeft en wie juist eerder kan afstromen naar zelfstandig werken.
De resultaten worden vertaald naar kleuren, wat in één oogopslag overzicht geeft. Check-tickets bieden daarmee dé oplossing voor differentiëren tijdens de instructie, met blijvend zicht op leren.
Hoe zet je een check-ticket in?
Om te bepalen welke leerlingen baat hebben bij pré-teaching, een verkorte instructie of juist al zelfstandig kunnen werken, nemen wij een dag voordat je het lesdoel aanbiedt een check-ticket af. Op ieder ticket staan vier opdrachten.
Aan de hand van het aantal goede antwoorden word er een bolletje aangekruist:
4 goede antwoorden → blauw
3 goede antwoorden → groen
2 blauwe antwoorden → geel
1 of 0 goede antwoorden → rood
Deze kleur geeft direct inzicht in de mate waarin een leerling het (sub)doel beheerst. De kleuren van de check-tickets worden verwerkt in onderstaande klassenplattegrond.
Hoe kan je differentieren tijdens het klassikale dictee?
Daarna volgt het klassikale dictee. Maar ook daar zit al een vorm van differentiatie in.
De leerlingen die blauw hebben gescoord, zitten bij elkaar (bij ons aan de instructietafel). Voorafgaand aan de les hebben wij een lijst gemaakt met woorden die wel binnen dezelfde categorie vallen, maar eigenlijk een leerjaar hoger zijn.
Tijdens het dictee zeg ik een woord hardop voor de hele klas. Tegelijkertijd fluister ik bij de blauwe groep een moeilijker woord dat zij opschrijven.
Na afloop kijken de blauwe leerlingen hun dictee zelf na met behulp van een antwoordenblad dat ik geef. Zo blijven zij actief en uitgedaagd, terwijl de rest van de klas het reguliere dictee maakt.
Pré-teaching
Om te bepalen wie baat heeft bij pré-teaching, nemen wij een dag van tevoren een check-ticket af. Zo kunnen we gericht selecteren welke leerlingen extra ondersteuning nodig hebben op het lesdoel van de volgende dag. Op je klassenplattegrond zie je in één oogopslag welke leerlingen rood scoren. Hen geef je pré-teaching.
Voordat je klassikale instructie geeft, gaat de timer gaat aan op 10 minuten. De leerlingen werken in deze tijd zelfstandig aan hun weektaak, waarin ze voornamelijk automatiseringsopdrachten maken. Je kan deze 10 minuten ook gebruiken voor de plustaak.
Dit geeft ruimte om gericht instructie te geven aan een klein groepje leerlingen die vooraf extra ondersteuning nodig hebben. De instructie binnen dit groepje verloopt exact volgens dezelfde opbouw als de klassikale les, namelijk volgens de fasen ik, wij, jullie, jij van het EDI-model. Tijdens de voorbereiding zorgen wij ervoor dat de materialen concreet en overzichtelijk zijn en dat er, indien het lesdoel daarom vraagt, een duidelijk stappenplan aanwezig is. Dit helpt de leerlingen het proces te begrijpen en stap voor stap zelfstandig toe te passen.
De klassikale instructie
Tijdens de ik-fase laat ik zien hoe het lesdoel bereikt wordt. Ik denk hardop en gebruik het bord of materialen om mijn uitleg te ondersteunen. Ik stel mezelf vragen en beantwoord ze meteen, zodat leerlingen het denkproces volgen. Soms mogen ze de opdracht mee overnemen op papier, maar pas nadat ik klaar ben met instrueren. Zo zien ze stap voor stap hoe ze het zelf kunnen aanpakken, zonder dat het opschrijven hen afleidt. Zoals je hieronder op de eerste foto ziet doen alle kleuren bolletjes mee met de ik fase.
Tijdens de wij-fase doen we samen de opdrachten. Ik doe het voor en de kinderen doen het na: ik werk een voorbeeld uit en zij verklaren stap voor stap wat ik doe. Ook schrijven ze de opdracht mee op hun wisbordje. Tijdens het oefenen stel ik controlevragen: ik geef een vraag, geef denktijd en kies vervolgens een leerling willekeurig met de beurtenstokjes om te antwoorden. De blauwe kinderen die het lesdoel al beheersen mogen ondertussen zelfstandig aan het werk en stromen af, terwijl de groene, gele en rode kinderen nog actief meedoen met de wij-fase. Zo kan iedereen op zijn eigen niveau oefenen, terwijl ik tegelijkertijd zicht houd op wie extra ondersteuning nodig heeft.
Tijdens de jullie-fase zet ik een voorbeeldopdracht op het bord die de leerlingen samen met een schoudermaatje uitwerken. Om te voorkomen dat de sterkere leerling de opdracht overneemt, heb ik de rechtszittende leerlingen 'Tom' en de linkerzittende leerlingen 'Jerry' genoemd. Tijdens het samenwerken krijgen ze een specifieke rol: de ene leerling voert uit, de ander observeert en legt uit, zodat gelijke deelname wordt gestimuleerd. Op deze manier oefenen alle leerlingen actief met de stof en kan ik gericht observeren wie extra ondersteuning nodig heeft. Alleen de gele kinderen gaan na deze fase zelfstandig aan het werk.
Tijdens de jij-fase, de kleine lesafsluiting, controleer ik of het lesdoel is behaald. De leerlingen maken de som van het bord zelfstandig. Ik gebruik een korte check op het wisbordje: "1, 2, 3… laat maar zien!" Wanneer 80% van de leerlingen de opdracht correct heeft uitgevoerd, mogen zij doorgaan met de zelfstandige verwerking.